Een mens rent vooruit op een lange kronkelende weg die zich eindeloos door heuvels en dalen lijkt te slingeren. De persoon rent al enige tijd voort met als doel zoveel mogelijk afstand af te leggen. Hij is ondertussen al behoorlijk buiten adem geraakt en af en toe voelt hij een flinke steek in de zijde. Wanneer hij zich dit zo in gedachten realiseert hoort hij achter zich een Stem roepen, ‘vriend, wacht op Mij!’. Hij draait zich om en ziet in de verte een vertrouwde Man in een rustig tempo zijn kant op lopen. Gezelschap zou niet verkeerd zijn, maar de onrust die van binnen ontstaat wanneer hij zelfs zo even stilstaat doet hem al gauw weer voortgaan. Als ik maar blijf rennen…dan bereik ik mijn bestemming, maalt het in zijn gedachten.
Na opnieuw een tijd gerend te hebben, kijkt hij achterom om te zien hoever hij al gevorderd is. Tot zijn verbazing bevindt hij zich nog steeds op dezelfde plek als een tijd geleden.
Of zou dat komen doordat al die heuvels zo op elkaar lijken?
Terwijl de mens zo in gedachten is, hoort hij opnieuw de Stem. Wanneer hij zich omdraait staat de Man plotseling voor hem.
De Man zegt, ´vriend, vanwaar de haast?´. De mens verklaart dat hij op reis is en dat er veel moet gebeuren om een zinvol leven te leiden. Er is maar weinig tijd om de weg af te lopen en het einddoel te bereiken. Als ik maar lang en hard genoeg werk dan kom ik er wel. Zo werd ik namelijk geleerd: ‘wie niet presteert, wordt niet gewaardeerd’.
De Man kijkt hem zwijgend aan. Deze stilte maakt de mens onrustig. De ogen van de Man lijken de onrust van de mens, die hij altijd zo zorgvuldig probeert te verbergen, naar boven te brengen. Dit doet het hart van de mens in elkaar krimpen. De last en pijn die jaren van ‘acceptatie in ruil voor prestatie’ hadden gebracht, verdragen niet de rust in deze Man. Ik moet er weer vandoor, haast de mens zich te zeggen en begint opnieuw te rennen. Maar deze keer vloeit de kracht bij elke stap uit hem weg. De spiegel van de laatste ontmoeting had het hart aangeraakt en doen breken. Op de grond zakte hij in elkaar waarna vele tranen vloeiden. De Man raakt de mens aan en fluistert vriendelijke woorden die de mens doen leven. Na enige tijd, die minuten, dagen of jaren hadden kunnen duren, staat hij weer rechtop naast de Man. De Man spreekt ‘Vriend, kom, loop met Mij.’
De mens wandelt nu naast de Man en een vriendschap ontstaat. De aandacht voor de weg neemt plaats voor de groeiende relatie met deze wonderlijke reisgenoot.
Waar voorheen de weg niet leek op te schieten, verandert het landschap nu als een wonder met elke stap.
